Als Lorenzo Benedetti de collectieve kunstenaar gerlach en koop uitnodigt voor een tentoonstelling in de Appel, naaien zij de rechterzak van zijn spijkerbroek dicht. Het is september 2015 als de broekzak Untitled wordt genoemd en wordt opgenomen in de titellijst van de tentoonstelling Choses tuées, net als Verminderde ruimte; een werk bestaand uit een spijkerbroek waarvan één pijp binnenstebuiten in de ander is gekeerd. In de maanden die volgen schudt De Appel na een bestuurlijk conflict op zijn grondvesten en staat Benedetti met een dichtgenaaide broekzak op straat. 

Jeremiade
De vleugelvullende collectieopstelling die nu te zien is in het Bonnefantenmuseum in Maastricht omvat ook Verminderde ruimte. Het werk ligt midden in een zaal, op de houten museumvloer. Tijdens de opening schuifelt de Maastrichtse kunstscène er omheen, terwijl gerlach en koop de felicitaties in ontvangst nemen. Bij wijze van uitzondering richtten zij de tentoonstelling in met collectiestukken, werken in bruikleen en werken die zij zelf maakten. Ook Lorenzo Benedetti reisde voor de gelegenheid af naar de Maasstad en hij heeft mijn onverdeelde aandacht. Zou hij Untitled dragen? Ik zie hem niet zoeken naar een verdwaald muntje voor de garderobe, of onopvallend een inkomend telefoongesprek wegdrukken. Zijn broekzak blijft leeg, wat ook toeval kan zijn. Tussen de twee spijkerbroeken van gerlach en koop zit een groot verschil dat je er niet meteen aan af ziet. De broek van Benedetti was zijn getuige, toen het directeurschap van de Appel hem ontglipte. Ondertussen ontsnapte Verminderde ruimte aan de commotie – na de tentoonstelling weer omwikkeld met bubbelplastic, zo stel ik me voor. De spijkerbroek werd door de Appel verpakt alsof het een kwetsbaar en waardevol voorwerp is, terwijl de afgestikte broekzak van Benedetti ruw werd blootgesteld aan de grillen van de tijd. Tijdens de opening van de tentoonstelling herbergt het museum ze allebei, maar de één als kledingstuk en de ander als kunst. De titel van de tentoonstelling – een dubbelpunt – beschrijft woordloos het verschil tussen de collectie en haar randgebied.

Verminderde ruimte ligt naast een langwerpig, wit blok waarvan de hoeken een kleine uitsparing hebben. Het ontwerp lijkt op een sokkel en werd in de jaren zestig gemaakt door William Graatsma. Ze hebben iets van elkaar weg, het blok en die spijkerbroek: aan allebei ontbreekt een stukje en toch kunnen we ze in gedachte makkelijk afmaken. Want sokkel of spijkerbroek; ons collectieve geheugen biedt ze puntgaaf aan. Een museumcollectie brengt zulke voorwerpen samen, maar ook daar worden er hoekjes uitgespaard, of excessen aanvaard. Wie daar net als gerlach en koop op let zal de banaliteit zien van de dingen die in het museum tot kunst worden verheven. Het gaapt je aan vanaf een lange witte muur, waar Lily van der Stokker een paar blauwe strepen trok – dik en dun, verticaal, horizontaal en allemaal even recht – om zich in twee hoeken van het museum in een klein, handgeschreven commentaar over de hele kunstgeschiedenis te buigen: ‘we hebben het niet gemakkelijk’, staat er. Niet gemakkelijk (1993) was een onuitgevoerde schets voor een muurschildering op kantoor, maar werd de roep van een maker in een tentoonstelling over het kunstwerk als publiek bezit. In een doodlopende zaal van het museum wordt de jeremiade opgevoerd die het kunstenaarschap met zich meebrengt. Van der Stokker heeft het net gehaald. 

Toonkast 
Bestaat Niet gemakkelijk pas echt als gerlach en koop de schets vertalen naar een muurschildering? Bestaat kunst pas als iemand het je aanwijst? : wijst telkens iets aan en vraagt dan of er kunst aanwezig is, zoals bij een werk van Marcel Broodthaers. De gastcuratoren beweren dat er een tank te zien is in een brok mergel, dat in een geleende toonkast van het Gemeentehuis Sint-Gillis ligt. En als ik me over het glas buig zie ik hoeveel de rechthoekige uitsnede bovenop lijkt op het mangat in het dak van een tank. Hoewel Tank (1967 – 1970) aan Marcel Broodthaers wordt toegeschreven werd het mergel bewerkt door een kind tot het op een tank leek. Broodthaers ruilde het met het kind voor een foto. Het stokje dat als een loop in het mergel is gestoken wordt door gerlach en koop vergeleken met een foto van Broodthaers, waarop te zien is hoe een kind een stokje van de grond raapt. Tank (1967 – 1970) werd geplaatst in de negentiende-eeuwse vitrinekast uit de geboorteplaats van Broodthaers, waarvan het toonvlak bekleed is met groen vilt. De toonkast vestigt museale aandacht op een stukje mergel, maar neemt de appropriatie van Broodthaers ook decennia mee terug in de tijd. De curator van het museum, Paula van den Bosch, zou hiermee haar hand hebben overspeeld, maar geldt dat ook voor een appropriatie door een collectieve kunstenaar? Liever beschouw ik hun ingrepen als onderdeel van een kunstenaarspraktijk. Het excessieve curatorschap van gerlach en koop pakt de collectie juist samen als een losbladig systeem waar je denken in verstrikt raakt, door Van den Bosch als volgt beschreven op één van de muren: ‘ieder kunstwerk is als een zich vertakkende rivier zelf een beginpunt van allerlei denkbeeldige verbindingen.’

Bruikleencarrousel 
Een verbinding in de kunst leek mij iets onomstotelijks; iets dat wel of niet bestaat. Maar in de achterste zaal van het museum, bij Winterlandschap met vogelval (1631) van Pieter Brueghel de Jonge, maak ik kennis met een denkbeeldige variant. Volgens de tekst betreft het een kopie, toegeschreven aan de zoon van Bruegel de Oude, zijn atelier of zijn navolgers. Het oubollige doek lijkt verdwaald in een tentoonstelling over conceptuele kunst. Zou het weer om een appropriatie gaan, zoals bij Tank? Een kopie was in de tijd van Brueghel lang niet de auteurscrisis die het was voor iemand als Broodthaers. Nee, de crisis zit in mij, en dat blijkt uit een vraag die mijn conceptuele voorstellingsvermogen doet exploderen: wat zou er gebeuren als alle eigenaren van zo’n 127 kopieën zouden besluiten tot een bruikleencarrousel, zodat je, als je na een jaar weer terugkomt in het museum, voor een ander schilderij staat? De carrousel komt onmiddellijk in beweging. Rechts onderin het ijstafereel van Brueghel is een vogelval afgebeeld. Vogels pikken met hun snavels in de sneeuw, naar wat gestrooid graan. Boven hen staat een schuine plank op scherp. Een kind speelt vlakbij een wak in het ijs en op de voorgrond voorspellen raven de willekeur van de naderende dood. Ik ben net zo nietsvermoedend als de vogels, maar ook als kijker kun je ieder moment het deksel op je neus krijgen.

Een leven lang val je ten prooi aan willekeur, overgeleverd aan keuzes van anderen die het leven vormgeven. Een onbemiddeld bestaan is een utopie die zich hooguit ophoudt in een broekzak. Daar vind je nog een vrijplaats voor de alleenheerser. Daar kunnen dingen nog bewaard of kwijtgemaakt worden zonder opgaaf van redenen. Iedere collectieopstelling heeft zo’n broekzak, een depot waarin dingen achterblijven. Maar : stelt daar tegenover dat een stang van de parkeerplaats juist wel op zaal terechtkwam. Net als Niet gemakkelijk bevindt het zich in de zaal waarachter de Maas onophoudelijk stroomt. Het vormt er een overgang tussen de verstilling van een collectie en de beweeglijkheid van de buitenwereld. Na : zal de stang niet plotseling worden toegevoegd aan de collectie, maar worden teruggezet op de parkeerplaats. Bezoekers zullen hun fietsen er hardhandig aan vastketenen. Benedetti zal naar huis gaan en spijkerbroeken dragen met zakken waar hij iets in kan stoppen. Het museum zal terug in het gareel komen, maar tussen de collectie voor en na : zit een verschil dat je niet kunt zien. In de weggewerkte broekspijp van Verminderde ruimte schuilt een stukje Appel, dat niet vervliegt als je het stiksel lostrekt. De muur van het museum wordt straks weer wit gemaakt, maar er is meer nodig om de jammerklacht van Van der Stokker er onder te krijgen. Want ook als denkbeeld is : een goedgeplaatste vinger, op de zere plek van een land dat van Brueghel tot Benedetti is vergeven van willekeur en teleurstelling.