Taru Elfving, Irmeli Kokko en Pascal Gielen, Contemporary Artist Residencies, Reclaiming Time and Space, Valiz Amsterdam, 2019, ISBN 978-94-92095-46-6

Metropolis M, Nr 3 2019

In Contemporary Artist Residencies: Reclaiming Time and Space onderzoeken Taru Elfving, Irmeli Kokko en Pascal Gielen wie er in hedendaagse residentieprogramma’s over tijd en ruimte beschikt. Hun boek benadrukt dat de eerste persoon enkelvoud het beste medicijn is tegen geopolitiek. In vijf hoofdstukken – Residents and Residencies, Reframing and Intensifying Practices, Institutional and Artistic Reflections, Art Ecosystems en Transitions – weegt Contemporary Artist Residencies de voor- en nadelen van kunstresidenties tegen elkaar af. De introductie schetst een beeld van residenties als knooppunt in de artistieke, sociale of cv-technische ontwikkeling van kunstenaars. Ook het ondoorzichtige krachtenveld tussen artistieke vrijheid en rendementsdenken komt aan bod. De eerste drie hoofdstukken schetsen vervolgens een wat overcompleet theoretisch kader voor de boeiende kern: een kijkje in de keuken van alternatieve organisatiestructuren, die de ecologische voetafdruk van de kunstproductiemachine willen verkleinen. 

De ik-vorm is hier interessant, zelfs als deze fictief is. Onder de pen van Alan Quireyns, directeur van AIR Antwerpen, beweegt een resident zich door een niet nader genoemde stad. Samengesteld uit acht kunstenaars in ten minste vijf steden belichaamt deze hoofdpersoon ‘the stranger who arrives today and stays tomorrow’. Mensen storten hun hart uit in zijn bijzijn, wetend dat hij op een dag zal vertrekken. Hij wandelt in een tempo dat verraadt hoeveel tijd hij heeft. Ondanks het felle zonlicht draagt hij geen zonnebril, zodat hij de blik van anderen kan vangen. De verzamelde gedachten in deze tekst passen feilloos in elkaar. Alsof iedere hedendaagse kunstenaar op zoek is naar een ontmoeting met het onbekende, een confrontatie die je aangaat zonder zonnebril.

De meeste auteurs zijn het er met elkaar over eens dat residentiekunstenaars eerder dan de confrontatie zoeken naar een vluchtroute. Residenties beloven ontsnapping; als privilege, overlevingsstrategie of politieke noodzaak. Helmut Batista beargumenteert de interessante mogelijkheid dat kunstenaars hun steden niet willen ontvluchten, maar het menszijn beu zijn. In Antropofuga wenst hij dat residenties kunstenaars helpen om tijd en ruimte terug te claimen, te dagdromen of bewust niet-actief te zijn. Hij spreekt vanuit Capacete in Brazilië, een plek die hij in één adem noemt met Maumaus in Lissabon, De Appel in Amsterdam en PEI in Barcelona: hybrides tussen residentie en educatieprogramma in. Dat een verblijf bij Capacete niet resulteert in een papiertje – in Brazilië niet geheel onbelangrijk – is onderdeel van de ontsnapping: door het programma bewust ongedefinieerd te laten, hoopt men de verwachtingen van de maatschappij te ontlopen.

Nadat resident en residentie zijn geportretteerd, verdicht het activistische plot zich. De initiatieven die daarin de hoofdrol spelen zijn organisaties die zichzelf willen hervormen, niet naar de pijpen van de kunstmarkt willen dansen, maar hun eigen systeem willen ontwikkelen met een kleine ecologische voetafdruk. De gemene deler daarin is dat deze organisaties allemaal stellen dat de reis onderdeel is van de bestemming. In Rooted and Slow Institutions Reside in Remote Places stelt Vytautas Michelkevičius een ingrediëntenlijst op voor een afgelegen residentie. Locatie, seizoen, interne en externe gemeenschappen, personeel en rituelen spelen een rol. Maar het is vooral de reis per trein of boot, opgepikt worden door de organisatie of de laatste kilometers te voet afleggen, die ervoor zorgt dat je werkelijk ervaart wat tijd of ruimte is. Als Michelkevičius vraagt wat kunstenaars ertoe beweegt om hun comfortabele steden te verruilen voor rurale uithoeken, dan ligt het antwoord voor de hand: de opoffering, het altijd onderweg zijn en nooit arriveren, verbleekt in vergelijking tot het opofferen van tijd en vrijheid als je in een grote stad leeft. En ook die opoffering laat zich makkelijk reduceren tot een luxeprobleem, als je leest over residenties die een onhoudbare, levensbedreigende situatie op basis van politieke uitsluiting als selectiecriterium hanteren.

The journey is dus the destination, maar niet iedereen begrijpt dat. Gezien de groeiende inspanningen om kunstproductie te bevrijden uit de houdgreep van het neoliberalisme, is het ronduit naïef te noemen dat Jean-Baptiste Joly kunstenaarsresidenties vergelijkt met de wintertuin van Marcel Broodthaers. In de jaren zeventig gebruikte Broodthaers die metafoor om de rol van musea te beschrijven als veilig heenkomen voor de kunst, zoals exotische planten overwinteren in een binnentuin tot het seizoen het toelaat om in de open lucht te overleven. Residenties, aldus de grondlegger van Schloss Solitude in Stuttgart, zijn plekken waar kunst vrijelijk kan ontkiemen, zonder tussenkomst van de markt, in een natuurlijke en open omgeving. De romantiek spat van dit beeld van een kunstbroeikas af, maar de metafoor doet geen recht aan de poging van residentieprogramma’s om de markt te ontgroeien. Door residenties te reduceren tot zonnige wachtruimtes, impliceert Joly dat de markt nog altijd het ideaalplaatje is waar kunstenaars in betere tijden naar terug zullen verlangen.

Ontnuchterend is dan het perspectief van Jenni Nurmenniemi, curator van Helsinki International Artist Programme (HIAP), in Going Post-fossil in a Neoliberal Climate, een van de meest prikkelende bijdragen aan dit boek. Het belicht het onvermogen van de mens om fossiele brandstoffen definitief achter zich te laten in de eenentwintigste eeuw. De ‘ongedefinieerde structuren’ die Helmut Batista bewondert om hun artistieke potentie, zijn volgens Nurmenniemi ook de ideale kandidaten om het goede voorbeeld te geven op klimatologisch vlak. Waar de grote spelers in de kunstwereld nog van biënnale naar biënnale vliegen, zijn steeds meer kunstenaars toonaangevend in hun weerzin om te vliegen, iets wat grote gevolgen kan hebben voor hun succes in de sector. Organisaties, stelt Nurmenniemi net als andere auteurs in dit boek, moeten niet vloekend en tierend reageren als iemand weigert om naar hen toe te vliegen; zij moeten hun beleid daarop aanpassen – ook als dat op de korte termijn duurder is, of andere organisatorische bezwaren oplevert. 

De perspectieven van auteurs als Batista, Michelkevičius en Nurmenniemi – mensen die al geruime tijd in de marge van een toch al marginale sector opereren – geven dit boek zijn glans. Zij vertegenwoordigen enkele interessante residentieprogramma’s onder de radar, die hun eigen lokale werkelijkheid aan het grote geheel verbinden. Hoe persoonlijker de voorbeelden, hoe besmettelijker de gedachte dat je geen prominente organisatie hoeft te zijn om het goede voorbeeld te geven. De ik-vorm, het eigen verhaal; iedereen weet dat je daarmee de grootste verandering kunt doorvoeren. 

Taru Elfving, Irmeli Kokko en Pascal Gielen, Contemporary Artist Residencies, Reclaiming Time and Space, Valiz Amsterdam, 2019, ISBN 978-94-92095-46-6

Metropolis M, Nr 3 2019

In Contemporary Artist Residencies: Reclaiming Time and Space onderzoeken Taru Elfving, Irmeli Kokko en Pascal Gielen wie er in hedendaagse residentieprogramma’s over tijd en ruimte beschikt. Hun boek benadrukt dat de eerste persoon enkelvoud het beste medicijn is tegen geopolitiek. In vijf hoofdstukken – Residents and Residencies, Reframing and Intensifying Practices, Institutional and Artistic Reflections, Art Ecosystems en Transitions – weegt Contemporary Artist Residencies de voor- en nadelen van kunstresidenties tegen elkaar af. De introductie schetst een beeld van residenties als knooppunt in de artistieke, sociale of cv-technische ontwikkeling van kunstenaars. Ook het ondoorzichtige krachtenveld tussen artistieke vrijheid en rendementsdenken komt aan bod. De eerste drie hoofdstukken schetsen vervolgens een wat overcompleet theoretisch kader voor de boeiende kern: een kijkje in de keuken van alternatieve organisatiestructuren, die de ecologische voetafdruk van de kunstproductiemachine willen verkleinen. 

De ik-vorm is hier interessant, zelfs als deze fictief is. Onder de pen van Alan Quireyns, directeur van AIR Antwerpen, beweegt een resident zich door een niet nader genoemde stad. Samengesteld uit acht kunstenaars in ten minste vijf steden belichaamt deze hoofdpersoon ‘the stranger who arrives today and stays tomorrow’. Mensen storten hun hart uit in zijn bijzijn, wetend dat hij op een dag zal vertrekken. Hij wandelt in een tempo dat verraadt hoeveel tijd hij heeft. Ondanks het felle zonlicht draagt hij geen zonnebril, zodat hij de blik van anderen kan vangen. De verzamelde gedachten in deze tekst passen feilloos in elkaar. Alsof iedere hedendaagse kunstenaar op zoek is naar een ontmoeting met het onbekende, een confrontatie die je aangaat zonder zonnebril.

De meeste auteurs zijn het er met elkaar over eens dat residentiekunstenaars eerder dan de confrontatie zoeken naar een vluchtroute. Residenties beloven ontsnapping; als privilege, overlevingsstrategie of politieke noodzaak. Helmut Batista beargumenteert de interessante mogelijkheid dat kunstenaars hun steden niet willen ontvluchten, maar het menszijn beu zijn. In Antropofuga wenst hij dat residenties kunstenaars helpen om tijd en ruimte terug te claimen, te dagdromen of bewust niet-actief te zijn. Hij spreekt vanuit Capacete in Brazilië, een plek die hij in één adem noemt met Maumaus in Lissabon, De Appel in Amsterdam en PEI in Barcelona: hybrides tussen residentie en educatieprogramma in. Dat een verblijf bij Capacete niet resulteert in een papiertje – in Brazilië niet geheel onbelangrijk – is onderdeel van de ontsnapping: door het programma bewust ongedefinieerd te laten, hoopt men de verwachtingen van de maatschappij te ontlopen.

Nadat resident en residentie zijn geportretteerd, verdicht het activistische plot zich. De initiatieven die daarin de hoofdrol spelen zijn organisaties die zichzelf willen hervormen, niet naar de pijpen van de kunstmarkt willen dansen, maar hun eigen systeem willen ontwikkelen met een kleine ecologische voetafdruk. De gemene deler daarin is dat deze organisaties allemaal stellen dat de reis onderdeel is van de bestemming. In Rooted and Slow Institutions Reside in Remote Places stelt Vytautas Michelkevičius een ingrediëntenlijst op voor een afgelegen residentie. Locatie, seizoen, interne en externe gemeenschappen, personeel en rituelen spelen een rol. Maar het is vooral de reis per trein of boot, opgepikt worden door de organisatie of de laatste kilometers te voet afleggen, die ervoor zorgt dat je werkelijk ervaart wat tijd of ruimte is. Als Michelkevičius vraagt wat kunstenaars ertoe beweegt om hun comfortabele steden te verruilen voor rurale uithoeken, dan ligt het antwoord voor de hand: de opoffering, het altijd onderweg zijn en nooit arriveren, verbleekt in vergelijking tot het opofferen van tijd en vrijheid als je in een grote stad leeft. En ook die opoffering laat zich makkelijk reduceren tot een luxeprobleem, als je leest over residenties die een onhoudbare, levensbedreigende situatie op basis van politieke uitsluiting als selectiecriterium hanteren.

The journey is dus the destination, maar niet iedereen begrijpt dat. Gezien de groeiende inspanningen om kunstproductie te bevrijden uit de houdgreep van het neoliberalisme, is het ronduit naïef te noemen dat Jean-Baptiste Joly kunstenaarsresidenties vergelijkt met de wintertuin van Marcel Broodthaers. In de jaren zeventig gebruikte Broodthaers die metafoor om de rol van musea te beschrijven als veilig heenkomen voor de kunst, zoals exotische planten overwinteren in een binnentuin tot het seizoen het toelaat om in de open lucht te overleven. Residenties, aldus de grondlegger van Schloss Solitude in Stuttgart, zijn plekken waar kunst vrijelijk kan ontkiemen, zonder tussenkomst van de markt, in een natuurlijke en open omgeving. De romantiek spat van dit beeld van een kunstbroeikas af, maar de metafoor doet geen recht aan de poging van residentieprogramma’s om de markt te ontgroeien. Door residenties te reduceren tot zonnige wachtruimtes, impliceert Joly dat de markt nog altijd het ideaalplaatje is waar kunstenaars in betere tijden naar terug zullen verlangen.

Ontnuchterend is dan het perspectief van Jenni Nurmenniemi, curator van Helsinki International Artist Programme (HIAP), in Going Post-fossil in a Neoliberal Climate, een van de meest prikkelende bijdragen aan dit boek. Het belicht het onvermogen van de mens om fossiele brandstoffen definitief achter zich te laten in de eenentwintigste eeuw. De ‘ongedefinieerde structuren’ die Helmut Batista bewondert om hun artistieke potentie, zijn volgens Nurmenniemi ook de ideale kandidaten om het goede voorbeeld te geven op klimatologisch vlak. Waar de grote spelers in de kunstwereld nog van biënnale naar biënnale vliegen, zijn steeds meer kunstenaars toonaangevend in hun weerzin om te vliegen, iets wat grote gevolgen kan hebben voor hun succes in de sector. Organisaties, stelt Nurmenniemi net als andere auteurs in dit boek, moeten niet vloekend en tierend reageren als iemand weigert om naar hen toe te vliegen; zij moeten hun beleid daarop aanpassen – ook als dat op de korte termijn duurder is, of andere organisatorische bezwaren oplevert. 

De perspectieven van auteurs als Batista, Michelkevičius en Nurmenniemi – mensen die al geruime tijd in de marge van een toch al marginale sector opereren – geven dit boek zijn glans. Zij vertegenwoordigen enkele interessante residentieprogramma’s onder de radar, die hun eigen lokale werkelijkheid aan het grote geheel verbinden. Hoe persoonlijker de voorbeelden, hoe besmettelijker de gedachte dat je geen prominente organisatie hoeft te zijn om het goede voorbeeld te geven. De ik-vorm, het eigen verhaal; iedereen weet dat je daarmee de grootste verandering kunt doorvoeren.